Sonic Acts XIII – Dag 2 – Immersie | Utopia | Hybrid Space | Expanded Spaces
Sven Schlijper | Kindamuzik
In De Balie start op de conferentievrijdag een uitgebreid programma aan lezingen. Thematisch gegroepeerd onderzoekt Sonic Acts XIII zo onder andere immersieve ruimte, historische vista’s op ruimtelijke utopia’s en het actuele en futuristische concept van hybrid space(s). Het avondprogramma in Paradiso staat vervolgens in het teken van de verruiming van de visuele geest en ruimte in cinematografische werken.
ZINTUIGEN
Naut Humon is één brok energie en enthousiasme wanneer hij via een historisch exposé verhaalt van de praktijk in het door hem opgerichte Recombinant Media Labs. Surround geluid en beeld, tot en met transducers in de vloer worden tegenwoordig in high tech omgevingen ingezet om ogen en oren over een zo breed mogelijk spectrum simultaan te stimuleren. Dit in contrast met installaties en ‘happenings’ waaraan Humon vele jaren geleden meewerkte, waarin juist het uitschakelen van bijvoorbeeld de visuele input en een overlading met tactiele prikkels centraal stond. Denk hierbij aan het in houten kisten opsluiten van bezoekers, de kisten vervolgens door een fabricageproces sturen over lopende banden en van buiten op timmeren en ten slotte transporteren naar een totaal andere ruimte om daar weer geopend te worden aan een copieus banket.
Christopher Salter behandelt dezelfde materie vanuit het oogpunt van de “treshold”. Conceptueel-academischer van aard dan het praxisgestuurde werk van Humon zoekt hij naar de gevolgen van extreme uitsluiting van zintuiglijke waarneming en de gevolgen van de net waarneembare verandering van input. In plaats van een dramatisch shockeffect tussen ’stilte’ en keiharde uitbarstingen van noise bijvoorbeeld, ligt in die net waarneembare verschuiving in waarneming voor Salter de uitdaging in het onderzoeken van het concept van de “sensing self”. Tussen beide sprekers ligt een wereld aan mogelijkheden langs de binaire tegenstelling tussen de negatie van zintuiglijke input en de volledige overlading in visuele en auditieve waarnemingen.
UTOPIA
Met het overvoeren van de zintuigen van bezoekers, die overigens wel zelf de sleutel in handen kregen te bepalen op welk kruispunt van muzikale en visuele input ze de voorstelling ondergingen, hielden John Cage en Lejaren Hiller zich onledig in hun HPSCHD performances. Verre van consequent in zijn formeel-conceptuele rationaliteit begaven de heren zich op een emanicaptoire weg waarin het gepresenteerde werk door de bezoeker zelf mede gemaakt werd, als ware zij mobiele mixers van de diverse inputkanalen. De plaats in de zaal immers bepaalde wat je meekreeg en in welke mate. De lichtelijk utopische vrijheidsgedachte die hierachter stak, stond tegelijk op enigszins gespannen voet met de politieke connotaties die Cage en Hiller willens en wetens presenteerden in de gebruikte projecties. Je mocht als bezoeker namelijk wel kiezen, maar dan slechts uit een palet aan input dat Cage en Hiller zelf nadrukkelijk één richting op geregisseerd hadden door het gebruik van beelden die de utopische vista’s van bijna science-fictionachtige verkenningen in “outer space” tot onderwerp hadden; niet in het minst door de inzet van een uitgebreide bibliotheek aan foto’s die NASA ter beschikking had gesteld.
De kosmos stond ook centraal voor Henry Jacobs en Jordan Belson die met hun Vortextconcerten tussen spiragraphachtige visuals en opvallend genoeg etnische volksmuziek gekoppeld aan experimenteel-klassiek toeschouwer “gevangen hielden” in een wervelwind aan audiovisuele input. De onder- en achterliggende idee hiervan en van latere experimenten in immersie en participatoire rituelen in een concertsetting en daarbuiten was gelegen in de beredeneerde notie van de noodzaak de mens fysiek en mentaal voor te bereiden op de eisen die “space travel” aan het gestel stelt. De cyborg-implicaties daarvan kregen onder andere vorm door bijkans martelingachtige ingrepen in het uitschakelen van waarneming op zintuiglijk vlak en wederom ook juist het overvoeren van de zintuigen. Verrassend genoeg klinkt en oogt het theater van de toekomst dat Jacobs en Belson voor oog en oor hadden tegenwoordig pijnlijk gedateerd, tegelijk wijzend op een utopisch futurisme dat heden ten dage veel minder opgeld doet.
Niemand minder dan Robert Whitman zelve bewijst vervolgens dat je als maker zelf geen sjoege hoeft te hebben van de technische aspecten van de realisatie van je werk. De beste man is geen tovenaar met de laptop of Powerpointpresentatie en dat was hij ook niet in de uitvoering van zijn audiovisuele excursies en installaties. Als een waar conceptueel kunstenaar immers legt Whitman een idee (bijvoorbeeld de wens te komen tot een installatie die wat veraf is dichtbij laat schijnen en omgekeerd) neer bij technici die vervolgens maanden ermee worstelen om al dan niet tot uitvoering te komen. Het moet echter niet per se technologische avantgarde zijn voor Whitman, zo bewijzen zijn wandelingen/rondleidingen door het New Yorkse havengebied waar hij met de “ready made” aan gevonden locatie als Fundgrube en enige materiaal werkte. De verfrissende eenvoud van zijn anekdotische vertellingen, zonder enige borstklopperij of gezwollen hineininterpretierende taal, maar bol van nog steeds twinkelend plezier wanneer hij weer een verhaal opdiept uit de rijke catalogus aan persoonlijke historie, brengt Whitman en zijn werken binnen een kader van de menselijke maat, waar Fluxus-happenings en de hi-tech concept art installatie in het Pepsi Paviljoen in Osaka meer dan eens worden beschreven in bijna afgodterminologie.
Het is die verafgoding waarmee Whitman afdoet. Ook jegens bijvoorbeeld iemand als John Cage. In de quote van de dag zegt Whitman namelijk dat het maken zo belangrijk was en is dat de ware kunstenaar het ook zou doen op een “desert island”, ook zonder een berg geld of cutting edge technologie. Of: “Toen zei ik tegen John [Cage dus]: “Kunnen we de bomen niet zo snoeien zodat de geworpen schaduwen op de grond het werk vormen dat door het draaien van de stand van de zon gedurende de dag beweegt?”". Kortom: al heb je niks, John, Bob [Robert Rauschenberg] en anderen met Whitman: ze maakten, ze deden, ze hadden de idee en dat was het allerbelangrijkste. Veraf of dichtbij, spiegelingen die jezelf niet opvangt, bewustwording van industriele “waste lands”, binnen/buiten; de vonk van de idee en alleen die is relevant. De rest is slechts uitvoering. Niets om gewichtig over te doen, grinnikt een duidelijk geamuseerde Whitman.
HYBRIDE RUIMTE
Meerdere ruimten op verschillende parallelle vlakken van perceptie op één moment staat centraal in het panel over hybride ruimte. Tussen architectonisch futurisme en urbaan ingrijpen volgens vergaande online interactie en Duncan Speakman’s “subtle mobs” en het zicht- of hoorbaar maken van bijvoorbeeld elektro-magnetische straling die ons continu omringt, ligt een ogenschijnlijk pril en nog weinig ontgonnen terrein aan mogelijkheden voor de stapeling van sensaties in één ruimte of wederom juist het afbouwen daarvan. Hybrid space echter komt pas dan naar voren in de waarneming wanneer er direct en bewust gewezen wordt op het bestaan van de parallelliteit van tegelijk plaats hebbende werelden.
Ongemerkt is hybrid space een gegeven van alle tijden, eigenlijk. Gewichtige academische uiteenzettingen, uitmondend in utopisch futurisme; wensdromen en vista’s zonder nog veel basis in het leven van alledag leggen het dan ook af tegen Speakmans Sonic Acts XIII-subtle mob interventie die wederom in schijnbare eenvoud met weinig middelen en in vivo met een vrij kleine en simpele ingreep de grenzen van het private en publieke in hybride ruimten bevraagt op een manier die hybrid space direct en onwillekeurig zichtbaar maakt. De notie van hybrid spaces en het gebruik ervan ook in artistieke zin heeft echter wel noodzakelijkerwijs te maken met een bepaalde kritieke massa om van de grond te komen. Juist het voorspellen van waar, hoe en in welke mate die groep ontstaat en waar het “tipping point” ligt, is, aldus Speakman, vrijwel onbegonnen werk. Toch lijkt vooralsnog juist dáár de crux van het werken met verschillende aspecten van hybrid spaces te liggen.
EXPANDED CINEMA
Het liveprogramma in Paradiso deze avond staat voornamelijk in het teken van cinematografische werken. Zwaar conceptueel (Paul Sharits, Liz Rhodes) en museel (Beauvais, Moholy-Nagy) staan vrijwel contextloos in nevenschikking. De context zou gegeven moet zijn in het verruimen van de blik, van het filmische medium, van versneden tijd… Ruimtelijkheid en ingrijpen daarin ligt tactiel voor het oprapen bij Optical Machines dat met rasters en ‘kerstboom-verlichting’ een ingenieus lijnenspel projecteert. Helaas is de soundtrack weinig verheffend. Bovendien bekruipt je het gevoel dat er meer te peuren valt uit het an sich interessante gegeven van het live in 3D verschuiven van lichtval voor projectie in 2D op groot scherm. Vooral een narratief of een spanningsboog ontbreekt nog, waardoor de performance niet veel verder komt dan optical artachtige vlakkenspellen. Moholy-Nagy, Eggeling of Man Ray maakten hun films met min of meer dezelfde basistechnieken decennia geleden. Zoveel verder lijken we dus sindsdien niet gekomen, als je Optical Machines moet geloven. Quod non en alleen al daarom smeekt de spatiale projectie van dit jonge Nederlandse duo om een verdere verdieping, zowel visueel als muzikaal.
Van broekafzakkend allooi is de poehataal die Bruce McClure nodigt heeft in het Sonic Acts XIII-boekje om zijn PIE PELLICANE JESU DOMINAE te duiden. Een exercitie in uithoudingsvermogen zou ook volstaan hebben. Voor welgeteld zo’n vijf minuten is de flikkerende splice tussen verschillende filmfragmenten onderhoudend, over de volle lengte van maar liefst drie kwartier is het statement gemaakt en begrepen om tot vervelens toe door de strot geduwd te worden. Een weinig opbeurende soundtrack van in delay en distortion gedrenkte drones helpt daarbij ook niet. Waar de performance vooral faalt, is in het totaal uitblijven van enig waarneembaar, maar wel geclaimd zichtbaar effect van temporele asynchroniciteit als agent in het kader van dimensionale perceptie. Ook Light Trap van Greg Pope valt plat op het gezicht. Een sculptuur in licht wil maar niet ontstaan in de rook in de misschien wel te grote zaal. En om Gert-Jan Prins en zijn noise nu te omschrijven als één van de meest “challenging” geluidkunstenaars van Nederland te noemen, voert op basis van het vanavond gepresenteerde statische (power)noise-voor-dummies-werkstuk ook wel wat erg ver. Het is echter de muur aan bijna witte ruis die hij optrekt waar je tegenaan kunt leunen waardoor het werk nog enigszins een spatiale ingreep is. Voor het overige resteert vooral een “jammer” als conclusie.
De film van Beauvais zie je misschien liever op klein formaat in een museale omgeving, de concept art statements van Sharits lenen zich wellicht ook beter voor vertoning buiten het format van een grote concerthal, maar gelukkig redt één film vanavond met verve het gezicht van het Expanded Spaces-programma. Trees of Syntax, Leaves of Axis van Daichi Saïto laat in precies tien minuten en geruggensteund door door merg en been snijdend prachtige counterpoint viool patronen, dwarsverbanden, variaties en zinsbegoochelende verschuivingen van perspectief samenkomen vanuit een organisch gegeven van bomen, takken; een bos, naar flitsende en kleurrijke spatiale abstractie. Samen met Gill Heatherly’s Hand Grenade; een fraaie animatie voor drie vlakken op een Krautrocksoundtrack, gaat zo alsnog een wereld open in het thema van de expanded cinema.









